Mamoru Hosoda weerlegt in zijn films de oude wijsheid ‘de mens is de mens een wolf’. Bij deze alom bewonderde anime-meester is de mens juist tegenover de wolf een mens: diepgaande relaties tussen mens en dier – met name dieren die door mensen in werkelijkheid juist worden gewantrouwd – keren in zijn oeuvre telkens terug (net als vliegende walvissen).
Denk aan Hosoda’s Belle (2021), zijn onlangs nog in de Nederlandse bioscopen uitgebrachte Wolf Children (2012) en deze, The Boy and the Beast (Bakemono no Ko). Zo dicht liggen hier de werelden van mensen en bakemono – sprekende dieren – bij elkaar dat je alleen maar een Tokioos steegje in hoeft te struikelen of je bevindt je opeens in Jutengai, het beestenrijk. Net zoals die beesten ondertussen, met hun hoodies op, ongemerkt in onze onoplettende maatschappij rondwandelen.
Zo treffen in Tokyo’s moderne Shibuya-district de negenjarige Ren (‘the boy’) en de norse Kumatetsu (‘the beast’) elkaar. Ren is weggelopen van huis; de beerachtige Kumatetsu heeft, vanwege een carrièrestrijd in Jutengai, een leerling nodig in de edele vechtkunst.
Net als altijd bij Hosoda is de handmatige character animation geweldig en draait het, tussen alle wonderlijke avonturen door, om psychologische subtiliteiten. Want net zoals Ren niet zit te wachten op betutteling, is voor Kumatetsu het leraarschap een moetje. Maar hun band groeit, met horten en stoten, doordat ze samen leren wat de rol en zelfs het belang is van woede en wat je aanmoet met die angstaanjagende, duistere leegte van binnen, als je je door iedereen verlaten voelt.